Genesis 35:24

“De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.”
— Genesis 35:24 (The Statenvertaling Bible)

Context: Genesis 35

22En het geschiedde, als Israel in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bij Bilha, zijns vaders bijwijf; en Israel hoorde het. En de zonen van Jakob waren twaalf.

23De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon.

24De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.

25En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali.

26En de zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-Aram.

Over Genesis 35: Jacobs terugkeer naar Bethel

Genesis 35: Jacobs terugkeer naar Bethel

God zegt tegen Jacob dat hij naar Betlehem moet verhuizen en de vreemde goden moet wegdoen. Jacob hernoemt de plaats tot Betlehem en bouwt een altaar voor God.

Commentaar

Genesis 35 is een cruciaal hoofdstuk in het boek Genesis, omdat het een belangrijke overgang markeert in het leven van Jakob. Na een tumultueuze periode van conflict en bedrog, wordt Jakob eindelijk verzoend met zijn broer Esau en is hij klaar om verder te gaan met zijn leven.

Het hoofdstuk begint met God die aan Jakob verschijnt en hem opdraagt terug te keren naar Bethel, de plaats waar hij zijn eerste ontmoeting met God had. Jakob gehoorzaamt en vertrekt met zijn familie en bezittingen. Onderweg stopt hij op een plaats genaamd Luz en bouwt een altaar voor God. Dit is belangrijk omdat het het begin markeert van een nieuw tijdperk in het leven van Jakob, waarin hij toegewijd is aan God en niet langer in angst leeft voor zijn broer.

Personen in Genesis 35