Genesis 35:4

“Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder den eikeboom, die bij Sichem is.”
— Genesis 35:4 (The Statenvertaling Bible)

Context: Genesis 35

2Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw klederen;

3En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-El; en ik zal daar een altaar maken dien God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is op den weg, die ik gewandeld heb.

4Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder den eikeboom, die bij Sichem is.

5En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.

6Alzo kwam Jakob te Luz, hetwelk is in het land Kanaan (dat is Beth-El), hij en al het volk, dat bij hem was.

Over Genesis 35: Jacobs terugkeer naar Bethel

Genesis 35: Jacobs terugkeer naar Bethel

God zegt tegen Jacob dat hij naar Betlehem moet verhuizen en de vreemde goden moet wegdoen. Jacob hernoemt de plaats tot Betlehem en bouwt een altaar voor God.

Commentaar

Genesis 35 is een cruciaal hoofdstuk in het boek Genesis, omdat het een belangrijke overgang markeert in het leven van Jakob. Na een tumultueuze periode van conflict en bedrog, wordt Jakob eindelijk verzoend met zijn broer Esau en is hij klaar om verder te gaan met zijn leven.

Het hoofdstuk begint met God die aan Jakob verschijnt en hem opdraagt terug te keren naar Bethel, de plaats waar hij zijn eerste ontmoeting met God had. Jakob gehoorzaamt en vertrekt met zijn familie en bezittingen. Onderweg stopt hij op een plaats genaamd Luz en bouwt een altaar voor God. Dit is belangrijk omdat het het begin markeert van een nieuw tijdperk in het leven van Jakob, waarin hij toegewijd is aan God en niet langer in angst leeft voor zijn broer.

Personen in Genesis 35