Genesis 4:16
“En Kain ging uit van het aangezicht des HEEREN; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.”
Context: Genesis 4
14Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.
15Doch de HEERE zeide tot hem: Daarom, al wie Kain doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE stelde een teken aan Kain; opdat hem niet versloeg al wie hem vond.
16En Kain ging uit van het aangezicht des HEEREN; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.
17En Kain bekende zijn huisvrouw, en zij werd bevrucht en baarde Henoch; en hij bouwde een stad, en noemde den naam dier stad naar den naam zijns zoons, Henoch.
18En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad gewon Mechujael; en Mechujael gewon Methusael; en Methusael gewon Lamech.
Over Genesis 4: De Val

Dit hoofdstuk geeft de stamboom van de eerste mensen die door God zijn geschapen. Het vertelt ook het verhaal van Kaïn en Abel, twee broers die ruzie kregen en waarbij de één de ander doodde.
Commentaar
Commentaar: Genesis hoofdstuk 4 is het verhaal van Kain en Abel, twee broers die offers brengen aan God. Kain, de oudere broer, offert wat van de vruchten van de grond, terwijl Abel de eerstgeborene van zijn kudde offert. God is tevreden met het offer van Abel, maar niet met dat van Kain. Dit maakt Kain kwaad, en God waarschuwt hem dat zonde voor de deur staat, klaar om hem te verslinden. Kain doodt vervolgens Abel in een vlaag van woede.
God confronteert Kain en vraagt hem waar Abel is. Kain liegt en zegt dat hij het niet weet. God vervloekt dan Kain en tekent hem zodat niemand hem zal doden. Hij verbant hem ook uit het land.