Genesis 4:8

“En Kain sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kain tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood.”
— Genesis 4:8 (The Statenvertaling Bible)

Context: Genesis 4

6En de HEERE zeide tot Kain: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?

7Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen.

8En Kain sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kain tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood.

9En de HEERE zeide tot Kain: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?

10En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem.

Over Genesis 4: De Val

Genesis 4: De Val

Dit hoofdstuk geeft de stamboom van de eerste mensen die door God zijn geschapen. Het vertelt ook het verhaal van Kaïn en Abel, twee broers die ruzie kregen en waarbij de één de ander doodde.

Commentaar

Commentaar: Genesis hoofdstuk 4 is het verhaal van Kain en Abel, twee broers die offers brengen aan God. Kain, de oudere broer, offert wat van de vruchten van de grond, terwijl Abel de eerstgeborene van zijn kudde offert. God is tevreden met het offer van Abel, maar niet met dat van Kain. Dit maakt Kain kwaad, en God waarschuwt hem dat zonde voor de deur staat, klaar om hem te verslinden. Kain doodt vervolgens Abel in een vlaag van woede.

God confronteert Kain en vraagt hem waar Abel is. Kain liegt en zegt dat hij het niet weet. God vervloekt dan Kain en tekent hem zodat niemand hem zal doden. Hij verbant hem ook uit het land.

Personen in Genesis 4