Genesis 47:7

“En Jozef bracht zijn vader Jakob mede, en stelde hem voor Farao's aangezicht; en Jakob zegende Farao.”
— Genesis 47:7 (The Statenvertaling Bible)

Context: Genesis 47

5Toen sprak Farao tot Jozef, zeggende: Uw vader en uw broeders zijn tot u gekomen;

6Egypteland is voor uw aangezicht; doe uw vader en uw broeders in het beste van het land wonen; laat hen in het land Gosen wonen, en zo gij weet, dat er onder hen kloeke mannen zijn, zo zet hen tot veemeesters over hetgeen ik heb.

7En Jozef bracht zijn vader Jakob mede, en stelde hem voor Farao's aangezicht; en Jakob zegende Farao.

8En Farao zeide tot Jakob: Hoe vele zijn de dagen der jaren uws levens!

9En Jakob zeide tot Farao: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen.

Over Genesis 47: De Zegen van Jakob aan de Farao

Genesis 47: De Zegen van Jakob aan de Farao

Jozef voorziet voedsel voor zijn familie en de Egyptenaren tijdens de hongersnood.

Commentaar

Genesis hoofdstuk 47 is een cruciaal hoofdstuk in het boek Genesis, omdat het het begin markeert van de afdaling van de Israëlieten naar Egypte. In dit hoofdstuk zien we de machtige figuur van Jozef, die door zijn broers als slaaf is verkocht, maar nu een positie van macht en autoriteit in Egypte heeft. Hij kan zijn positie gebruiken om voedsel en onderdak te bieden aan zijn familie tijdens een hongersnood.

Het hoofdstuk begint met de farao die Jozef roept om zijn droom te interpreteren. Jozef legt de droom uit als een waarschuwing voor zeven jaren van overvloed gevolgd door zeven jaren van hongersnood. De farao stelt Jozef vervolgens aan als verantwoordelijke voor het land Egypte, met de autoriteit om gedurende de jaren van overvloed een vijfde van de productie te innen en op te slaan voor de jaren van hongersnood.

Personen in Genesis 47