Jozua 13:31
“En het halve Gilead, en Astharoth, en Edrei, steden des koninkrijks van Og in Bazan, waren van de kinderen van Machir, den zoon van Manasse, namelijk de helft der kinderen van Machir, naar hun huisgezinnen.”
Context: Jozua 13
29Verder had Mozes aan den halven stam van Manasse een erfenis gegeven, die aan den halven stam der kinderen van Manasse bleef, naar hun huisgezinnen;
30Zodat hun landpale was van Mahanaim af, het ganse Bazan, het ganse koninkrijk van Og, den koning van Bazan, en al de vlekken van Jair, die in Bazan zijn, zestig steden.
31En het halve Gilead, en Astharoth, en Edrei, steden des koninkrijks van Og in Bazan, waren van de kinderen van Machir, den zoon van Manasse, namelijk de helft der kinderen van Machir, naar hun huisgezinnen.
32Dat is het, wat Mozes ten erve uitgedeeld had in de velden van Moab, op gene zijde der Jordaan van Jericho, tegen het oosten.
33Maar aan den stam van Levi gaf Mozes geen erfdeel; de HEERE, de God Israels, is Zelf hunlieder Erfdeel, gelijk als Hij tot hen gesproken heeft.
Over Jozua 13: Land Nog te Veroveren

Jozua verdeelt het resterende land van Kanaän onder de Israëlitische stammen.
Commentaar
Jozua 13 is een hoofdstuk dat de resterende landen schetst die de Israëlieten nog moesten veroveren. Het herinnert aan de belofte die God aan Abraham had gedaan in Genesis 15:18-21, dat zijn nakomelingen het land Kanaän zouden bezitten. Het hoofdstuk begint met een herinnering aan het reeds veroverde land en gaat vervolgens over naar het land dat nog ingenomen moest worden.
Vervolgens volgt een lijst van de verschillende stammen en hun respectievelijke territoria. Het is interessant om op te merken dat de stammen van Ruben, Gad en de helft van Manasse al hun erfdeel ten oosten van de Jordaan hadden ontvangen. Dit was een teken van Gods trouw aan Zijn belofte aan Abraham, aangezien Hij had beloofd dat zijn nakomelingen het land Kanaän zouden bezitten.