Rechters 8:6
“Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw heir brood zouden geven?”
Context: Rechters 8
4Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moede, nochtans vervolgende.
5En hij zeide tot de lieden van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moede; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen der Midianieten, achterna.
6Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw heir brood zouden geven?
7Toen zeide Gideon: Daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen der woestijn, en met distelen.
8En hij toog van daar op naar Pnuel, en sprak tot hen desgelijks. En de lieden van Pnuel antwoordden hem, gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden.
Over Rechters 8: Gideons Efraïm

Gideon en zijn mannen vangen en doden de koningen van Midian.
Commentaar
Richteren 8 is een hoofdstuk in het Oude Testament boek Richteren dat het verhaal vertelt van de overwinning van Gideon op de Midianieten. In dit hoofdstuk verslaan Gideon en zijn leger van 300 mannen de Midianieten, die de Israëlieten zeven jaar hadden onderdrukt. Na de strijd wordt Gideon geprezen door de Israëlieten en krijgt hij de titel "machtige held".
Het hoofdstuk begint met Gideon en zijn 300 mannen die de Midianieten achtervolgen, die gevlucht waren na hun nederlaag. Gideon en zijn mannen vangen twee van de Midianitische koningen, Oreb en Zeeb, en doden hen. Gideon stuurt vervolgens boodschappers naar de andere stammen van Israël, hen vragend om te komen en hem te helpen vechten tegen de Midianieten. De andere stammen reageren en sluiten zich aan bij Gideon in zijn strijd tegen de Midianieten.