Marcus 10:24

“En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus, wederom antwoordende, zeide tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan!”
— Marcus 10:24 (The Statenvertaling Bible)

Context: Marcus 10

22Maar hij, treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele goederen.

23En Jezus rondom ziende, zeide tot Zijn discipelen: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods inkomen!

24En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus, wederom antwoordende, zeide tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan!

25Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga.

26En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden?

Over Marcus 10: Onderwijs over echtscheiding, zegen kinderen

Marcus 10: Onderwijs over echtscheiding, zegen kinderen

Jezus onderwijst over het huwelijk, echtscheiding en het koninkrijk van God.

Commentaar

Markus 10 is een hoofdstuk dat zich richt op Jezus' onderwijs over huwelijk, echtscheiding en kinderen. Jezus begint met het beantwoorden van de vraag van de Farizeeën over echtscheiding, en Hij maakt duidelijk dat echtscheiding niet het ideaal van God is. Vervolgens legt Hij uit dat het huwelijk een heilige verbintenis is tussen een man en een vrouw, en dat het niet verbroken mag worden. Jezus benadrukt ook het belang van kinderen en moedigt Zijn volgelingen aan om hen te verwelkomen en met respect te behandelen.

Het hoofdstuk eindigt met Jezus' bekende woorden over de moeilijkheid om het koninkrijk van God binnen te gaan. Hij legt uit dat het makkelijker is voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke man om het koninkrijk van God binnen te gaan. Dit is een krachtige herinnering aan het belang van nederigheid en het vertrouwen op Gods genade.

Personen in Marcus 10