Uittocht 8:26
“Mozes dan zeide: Het is niet recht, dat men alzo doe; want wij zouden der Egyptenaren gruwel den HEERE, onzen God, mogen offeren; zie, indien wij der Egyptenaren gruwel voor hun ogen offerden, zouden zij ons niet stenigen?”
Context: Uittocht 8
24En de HEERE deed alzo; en er kwam een zware vermenging van ongedierte in het huis van Farao, en in de huizen van zijn knechten, en over het ganse Egypteland; het land werd verdorven van deze vermenging.
25Toen riep Farao Mozes en Aaron, en zeide: Gaat heen, en offert uwen God in dit land.
26Mozes dan zeide: Het is niet recht, dat men alzo doe; want wij zouden der Egyptenaren gruwel den HEERE, onzen God, mogen offeren; zie, indien wij der Egyptenaren gruwel voor hun ogen offerden, zouden zij ons niet stenigen?
27Laat ons den weg van drie dagen in de woestijn gaan, dat wij den HEERE onzen God offeren, gelijk Hij tot ons zeggen zal.
28Toen zeide Farao: Ik zal u trekken laten, dat gijlieden den HEERE, uwen God, offert in de woestijn; alleen, dat gijlieden in het gaan geenszins te verre trekt! Bidt vuriglijk voor mij.
Over Uittocht 8: De Tweede, Derde en Vierde Plaag: Kikkers, Luizen en Vliegen

De plagen van kikkers, muggen en vliegen komen over Egypte, maar de Farao weigert nog steeds om de Israëlieten te laten gaan.
Commentaar
Exodus 8 is het achtste hoofdstuk van het Boek Exodus in de Bijbel. In dit hoofdstuk blijft God Zijn kracht en autoriteit over farao en de Egyptenaren demonstreren door een plaag van kikkers over het land te sturen. De plaag is zo ernstig dat farao gedwongen wordt om Mozes en Aäron te roepen en hun te vragen voor hem bij God te bemiddelen. Mozes en Aäron bidden dan tot God, en Hij antwoordt door de plaag te verwijderen.
Dit hoofdstuk dient als herinnering aan de macht en autoriteit van God over alle dingen. Hij is in staat om grote vernietiging en lijden te veroorzaken, maar Hij is ook in staat om grote genade en verlossing te brengen. Farao wordt vernederd door de plaag en is bereid om met Mozes en Aäron te onderhandelen, wat laat zien dat God de controle heeft. Dit hoofdstuk dient ook als herinnering aan het belang van gebed en voorbede. Mozes en Aäron kunnen namens farao bij God bemiddelen, en God antwoordt door de plaag te verwijderen. Dit is een krachtige herinnering dat gebed een effectieve manier is om met God te communiceren en Zijn hulp te zoeken in tijden van nood.