
Het boek Exodus is het tweede boek van de Hebreeuwse Bijbel en het christelijke Oude Testament. Het vertelt het verhaal van de Israëlieten, die afstammen van Abraham, Isaak en Jakob, en hun slavernij in Egypte. Het boek begint met het verhaal van Mozes, die door God werd gekozen om de Israëlieten uit de slavernij te leiden. Met behulp van zijn broer Aäron en verschillende wonderen confronteert Mozes de farao, de heerser van Egypte, en eist dat hij de Israëlieten vrijlaat. De farao weigert en God stuurt tien plagen over de Egyptenaren om de farao te overtuigen de Israëlieten te laten gaan. Uiteindelijk stemt de farao toe en vertrekken de Israëlieten uit Egypte in een massale exodus die bekend staat als de Exodus. Het boek bevat ook het verhaal van de Tien Geboden, die aan de Israëlieten werden gegeven door God op de berg Sinaï. Deze geboden omvatten instructies over hoe God te aanbidden, hoe anderen te behandelen en hoe een rechtvaardig leven te leiden.
Uittocht · 1