Ezechiël 32:9
“Daartoe zal Ik het hart van vele volken verdrietig maken, als Ik uw verbreking onder de heidenen zal brengen in de landen, die gij niet gekend hebt.”
Context: Ezechiël 32
7En als Ik u zal uitblussen, zal Ik den hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten.
8Alle lichtende lichten aan den hemel, die zal Ik om uwentwil zwart maken; en Ik zal een duisternis over uw land maken, spreekt de Heere HEERE.
9Daartoe zal Ik het hart van vele volken verdrietig maken, als Ik uw verbreking onder de heidenen zal brengen in de landen, die gij niet gekend hebt.
10En Ik zal maken, dat zich vele volken over u ontzetten, en hun koningen zullen de haren over u te berge staan, als Ik Mijn zwaard zal zwaaien voor hun aangezichten; en zij zullen elk ogenblik sidderen, een ieder voor zijn ziel, ten dage uws vals.
11Want zo zegt de Heere HEERE: Het zwaard des konings van Babel zal u overkomen.
Over Ezechiël 32: Een klaagzang voor de farao en zijn bondgenoten

In Ezechiël hoofdstuk 32 vervolgt de profeet zijn boodschap tegen Egypte, waarbij hij specifiek de ondergang van de farao en zijn bondgenoten betreurt. Het hoofdstuk beschrijft de naderende vernietiging en vernedering van Egypte als straf voor hun trots en arrogantie. Ezechiël vergelijkt ook de val van Egypte met die van andere volken die vernederd zijn door God.
Commentaar
Default commentary text