Ezechiël 36:20
“Als zij nu tot de heidenen kwamen, waarhenen zij getogen waren, ontheiligden zij Mijn heiligen Naam, omdat men van hen zeide: Dezen zijn het volk des HEEREN, en zijn uit Zijn land uitgegaan.”
Context: Ezechiël 36
18Daarom goot Ik Mijn grimmigheid over hen uit, om des bloeds wil, dat zij in het land vergoten hadden, en om hun drekgoden, waarmede zij dat verontreinigd hadden.
19En Ik verstrooide hen onder de heidenen, en zij werden verspreid in de landen; Ik oordeelde ze naar hun weg en naar hun handelingen.
20Als zij nu tot de heidenen kwamen, waarhenen zij getogen waren, ontheiligden zij Mijn heiligen Naam, omdat men van hen zeide: Dezen zijn het volk des HEEREN, en zijn uit Zijn land uitgegaan.
21Maar Ik verschoonde hen om Mijn heiligen Naam, dien het huis Israels ontheiligde onder de heidenen, waarhenen zij gekomen waren.
22Daarom zeg tot het huis Israels: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israels! maar om Mijn heiligen Naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen, waarhenen gij gekomen zijt.
Over Ezechiël 36: Herstel van Israël Voorspeld

In Ezechiël hoofdstuk 36 spreekt God door de profeet Ezechiël en voorspelt Hij de herstelling van Israël. Hij belooft het land te herstellen, de bevolking te vergroten, een einde te maken aan hongersnood en het volk te reinigen van hun zonden. God verklaart dat Hij dit zal doen niet omdat de Israëlieten het verdienen, maar vanwege Zijn verbond met hen.
Commentaar
Default commentary text