Genesis 19:28
“En hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het ganse land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens.”
Context: Genesis 19
26En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.
27En Abraham maakte zich deszelven morgens vroeg op, naar de plaats, waar hij voor het aangezicht des HEEREN gestaan had.
28En hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het ganse land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens.
29En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.
30En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijn twee dochters met hem; want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een spelonk, hij en zijn twee dochters.
Over Genesis 19: De Vernietiging van Sodom

God verwoest de steden Sodom en Gomorra vanwege de slechtheid van hun inwoners. Abraham's neef Lot en zijn familie werden gered van de vernietiging.
Commentaar
Genesis 19 is een krachtig hoofdstuk dat het verhaal vertelt van de vernietiging van Sodom en Gomorra. Het begint met twee engelen die in Sodom aankomen en worden verwelkomd door Lot, de neef van Abraham. Lot biedt de engelen gastvrijheid en bescherming tegen de slechtheid van de stad. De engelen waarschuwen Lot en zijn familie om de stad te ontvluchten voordat deze wordt vernietigd. Lot aarzelt, maar stemt uiteindelijk toe en brengt zijn familie uit de stad.
De engelen brengen vervolgens vuur en zwavel uit de hemel neer, waarbij ze de stad en al haar inwoners vernietigen. Dit is een krachtige demonstratie van Gods oordeel over de slechtheid van de stad. Het dient als een waarschuwing aan allen die zich van God zouden afkeren en zonde zouden omarmen.