Genesis 27:35
“En hij zeide: Uw broeder is gekomen met bedrog, en heeft uw zegen weggenomen.”
Context: Genesis 27
33Toen verschrikte Izak met zeer grote verschrikking, gans zeer, en zeide: Wie is hij dan, die het wildbraad gejaagd en tot mij gebracht heeft? en ik heb van alles gegeten, eer gij kwaamt, en heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen.
34Als Ezau de woorden zijns vaders hoorde, zo schreeuwde hij met een groten en bitteren schreeuw, gans zeer; en hij zeide tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader!
35En hij zeide: Uw broeder is gekomen met bedrog, en heeft uw zegen weggenomen.
36Toen zeide hij: Is het niet omdat men zijn naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen? mijn eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen genomen! Voorts zeide hij: Hebt gij dan geen zegen voor mij uitbehouden?
37Toen antwoordde Izak, en zeide tot Ezau: Zie, ik heb hem tot een heer over u gezet, en al zijn broeders heb ik hem tot knechten gegeven; en ik heb hem met koorn en most ondersteund; wat zal ik u dan nu doen, mijn zoon?
Over Genesis 27: Jakob Krijgt Ezau's Eerstgeboorterecht

Isaac is van plan om zijn oudste zoon Esau te zegenen, maar Rebekka en Jakob spannen samen om Isaak te misleiden, zodat Jakob in plaats daarvan de zegen ontvangt.
Commentaar
Genesis 27 is een hoofdstuk dat het verhaal vertelt van Jakob en Esau, de tweelingzonen van Isaäk en Rebekka. Het is een verhaal van bedrog, rivaliteit en uiteindelijk verzoening.
Het hoofdstuk begint met Isaäk, die nu oud en blind is, die zijn zegen wil geven aan zijn oudste zoon, Esau. Rebekka heeft echter andere plannen. Ze bedenkt een plan om Isaäk te misleiden zodat hij de zegen in plaats daarvan aan Jakob geeft. Ze laat Jakob zich verkleden in de kleren van Esau en geitenhuiden om zijn handen en nek doen om hem te laten lijken op Esau. Jakob gaat vervolgens naar Isaäk en doet alsof hij Esau is, en Isaäk geeft hem de zegen.