Genesis 29:6

“Voorts zeide hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.”
— Genesis 29:6 (The Statenvertaling Bible)

Context: Genesis 29

4Toen zeide Jakob tot hen: Mijn broeders! van waar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.

5En hij zeide tot hen: Kent gij Laban, den zoon van Nahor? En zij zeiden: Wij kennen hem.

6Voorts zeide hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.

7En hij zeide: Ziet, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld worde; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt dezelve.

8Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, totdat al de kudden samen zullen vergaderd zijn, en dat men den steen van den mond des puts afwentele, opdat wij de schapen drenken.

Over Genesis 29: Jacob Ontmoet Rachel

Genesis 29: Jacob Ontmoet Rachel

Jacob werkt zeven jaar om met Leah te trouwen, maar wordt bedrogen door haar vader Laban en trouwt ook met Rachel. Hij werkt nog eens zeven jaar om met Rachel te kunnen trouwen.

Commentaar

Genesis 29 is het verhaal van Jakobs reis naar Haran om een vrouw te vinden. Na een lange reis arriveert hij bij een put en ontmoet Rachel, de dochter van Laban, de broer van zijn moeder. Jakob wordt verliefd op Rachel en stemt ermee in om zeven jaar voor Laban te werken in ruil voor haar hand in huwelijk.

Dit hoofdstuk is een herinnering aan het belang van familie en de kracht van liefde. Jakobs reis naar Haran getuigt van zijn toewijding aan zijn familie en zijn bereidheid om grote inspanningen te leveren om een vrouw te vinden. Zijn liefde voor Rachel blijkt uit zijn bereidheid om zeven jaar te werken in ruil voor haar hand in huwelijk.

Personen in Genesis 29