Genesis 31:11
“En de Engel Gods zeide tot mij in de droom: Jakob! En ik zeide: Zie, hier ben ik!”
Context: Genesis 31
9Alzo heeft God uw vader het vee ontrukt, en aan mij gegeven.
10En het geschiedde ten tijde, als de kudde hittig werd, dat ik mijn ogen ophief, en ik zag in den droom; en ziet, de bokken, die de kudden beklommen, waren gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig.
11En de Engel Gods zeide tot mij in de droom: Jakob! En ik zeide: Zie, hier ben ik!
12En Hij zeide: Hef toch uw ogen op, en zie! alle bokken, die de kudde beklimmen, zijn gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig; want Ik heb gezien alles, wat Laban u doet.
13Ik ben die God van Beth-El, alwaar gij het opgerichte teken gezalfd hebt, waar gij Mij een gelofte beloofd hebt; nu, maak u op, vertrek uit dit land, en keer weder in het land uwer maagschap.
Over Genesis 31: Jakobs vlucht van Laban

Jacob rent weg van Laban met zijn familie en bezittingen. Laban achtervolgt hem, maar ze sluiten een verbond en scheiden als vrienden.
Commentaar
Genesis 31 is het verhaal van Jakobs terugkeer naar zijn thuisland Kanaän na een lange periode van ballingschap in het land van Laban. Na een lange en moeilijke reis wordt Jakob herenigd met zijn familie en met open armen verwelkomd.
Het hoofdstuk begint met Jakobs beslissing om Labans land te verlaten en terug te keren naar Kanaän. Hij wordt vergezeld door zijn vrouwen, kinderen en al zijn bezittingen. Jakob vreest de reactie van Laban op zijn vertrek, dus neemt hij voorzorgsmaatregelen om zijn veiligheid te waarborgen. Hij stuurt Laban een boodschap om hem over zijn plannen te informeren en vertrekt dan in de nacht.