Genesis 32:30
“En Jakob noemde den naam dier plaats Pniel: Want, zeide hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.”
Context: Genesis 32
28Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israel; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht.
29En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar.
30En Jakob noemde den naam dier plaats Pniel: Want, zeide hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.
31En de zon rees hem op, als hij door Pniel gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.
32Daarom eten de kinderen Israels de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heup is, tot op dezen dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw.
Over Genesis 32: Jakobs worsteling met God

Jakob bereidt zich voor om zijn broer Esau te ontmoeten en hij worstelt met God.
Commentaar
Genesis 32 is een cruciaal hoofdstuk in het boek Genesis, omdat het een belangrijk keerpunt markeert in het leven van Jacob. Na te zijn gevlucht voor zijn broer Esau, keert Jacob nu terug naar zijn geboorteland en hij is vervuld van angst en onzekerheid. Hij weet niet hoe zijn broer hem zal ontvangen en vreest gestraft te worden voor zijn verleden.
Om zich voor te bereiden op de hereniging met Esau, stuurt Jacob een reeks geschenken vooruit. Hij verdeelt zijn familie en bezittingen in twee kampen, zodat als Esau een kamp aanvalt, het andere kan ontsnappen.