Genesis 46:31

“Daarna zeide Jozef tot zijn broederen, en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Farao boodschappen, en tot hem zeggen: Mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanaan waren, zijn tot mij gekomen.”
— Genesis 46:31 (The Statenvertaling Bible)

Context: Genesis 46

29Toen spande Jozef zijn wagen aan, en toog op, zijn vader Israel tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zo viel hij hem aan zijn hals, en weende lang aan zijn hals.

30En Israel zeide tot Jozef: Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft!

31Daarna zeide Jozef tot zijn broederen, en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Farao boodschappen, en tot hem zeggen: Mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanaan waren, zijn tot mij gekomen.

32En die mannen zijn schaapherders; want het zijn mannen, die met vee omgaan; en zij hebben hun schapen, en hun runderen, en al wat zij hebben, medegebracht.

33Wanneer het nu geschieden zal, dat Farao ulieden zal roepen, en zeggen: Wat is uw hantering?

Over Genesis 46: Jakob en zijn familie verhuizen naar Egypte

Genesis 46: Jakob en zijn familie verhuizen naar Egypte

Jakob en zijn familie verhuizen naar Egypte en vestigen zich in het land Gosen.

Commentaar

Genesis 46 is het verslag van de reis van Jacob en zijn familie naar Egypte. Nadat hij door God was geïnstrueerd om naar Egypte te gaan, begint Jacob met zijn familie aan hun reis. Onderweg stopt Jacob in Beersheba en brengt offers aan God. Vervolgens ontvangt hij een visioen van God, waarin hem verzekerd wordt dat hij en zijn familie veilig zullen zijn in Egypte.

Wanneer ze in Egypte aankomen, worden Jacob en zijn familie verwelkomd door de farao. De farao is onder de indruk van Jacobs grote familie en geeft hun toestemming om zich te vestigen in het land van Gosen. Jacob en zijn familie worden dan herenigd met Jozef, die vele jaren daarvoor als slaaf was verkocht.

Personen in Genesis 46