Genesis 8:19
“Al het gedierte, al het kruipende, en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, naar hun geslachten, gingen uit de ark.”
Context: Genesis 8
17Al het gedierte, dat met u is, van alle vlees, aan gevogelte, en aan vee, en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan; en dat zij overvloediglijk voorttelen op de aarde, en vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen op de aarde.
18Toen ging Noach uit, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem.
19Al het gedierte, al het kruipende, en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, naar hun geslachten, gingen uit de ark.
20En Noach bouwde den HEERE een altaar; en hij nam van al het reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar.
21En de HEERE rook dien liefelijken reuk, en de HEERE zeide in Zijn hart: Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des mensen wil; want het gedichtsel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.
Over Genesis 8: De Overstroming Trekt Zich Terug

Na veertig dagen regen zakten de wateren en kwam de ark tot rust op een berg. God beloofde om de aarde nooit meer te overstromen en gaf de regenboog als teken van zijn belofte.
Commentaar
Genesis 8 is een hoofdstuk dat spreekt over de trouw en barmhartigheid van God. Na de grote vloed, denkt God aan Noach en zijn familie en stuurt een wind om het water te laten opdrogen. Vervolgens beveelt Hij de vogels om de ark te verlaten en het water te laten zakken. Nadat het water gezakt is, sluit God een verbond met Noach en zijn nakomelingen, waarin Hij belooft de aarde nooit meer met een vloed te vernietigen. Dit is een krachtige herinnering aan Gods trouw en barmhartigheid. Hij vergeet zijn volk niet en houdt Zijn beloftes.
God toont ook Zijn barmhartigheid in dit hoofdstuk door een offer voor Noach en zijn familie te voorzien. Hij gebiedt hen om een brandoffer aan Hem te brengen, en als reactie belooft God nooit meer de aarde te vervloeken vanwege de zonde van de mens. Dit is een prachtige herinnering aan Gods barmhartigheid en genade.