Hebreeën 1:2
“Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welken Hij ook de wereld gemaakt heeft;”
Context: Hebreeën 1
1God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon;
2Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welken Hij ook de wereld gemaakt heeft;
3Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechter hand der Majesteit in de hoogste hemelen;
4Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender Naam boven hen geerfd heeft.
Over Hebreeën 1: De Superieuriteit van Jezus Christus

De auteur van Hebreeën begint met te benadrukken de superioriteit van Jezus Christus boven alle andere religieuze leiders en benadrukt Zijn rol als de uiteindelijke Hogepriester.
Commentaar
Hebreeën 1 is een krachtige introductie tot de brief, waarin de superioriteit van Jezus Christus boven alle andere personages in het Oude Testament wordt benadrukt. De auteur begint met te verklaren dat God in het verleden op vele manieren tot ons gesproken heeft, maar in deze laatste dagen tot ons heeft gesproken door Zijn Zoon. Dit is een duidelijke verwijzing naar Jezus, die wordt beschreven als de straling van de heerlijkheid van God en de exacte afbeelding van Zijn wezen. Hij wordt ook beschreven als degene door wie God het universum heeft geschapen en het met Zijn machtige woord in stand houdt.
De auteur vergelijkt vervolgens Jezus met de engelen, die slechts dienaren van God zijn, die zijn gezonden om Zijn wil te doen. Jezus daarentegen is de Zoon en is daarom superieur aan de engelen. Hij is ook de erfgenaam van alle dingen en is degene door wie God de wereld zal oordelen.