Joël 2:4
“De gedaante deszelven is als de gedaante van paarden, en als ruiters zo zullen zij lopen.”
Context: Joël 2
2Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, desgelijks van ouds niet geweest is, en na hetzelve niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten.
3Voor hetzelve verteert een vuur, en achter hetzelve brandt een vlam; het land is voor hetzelve als een lusthof, maar achter hetzelve een woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen van hetzelve.
4De gedaante deszelven is als de gedaante van paarden, en als ruiters zo zullen zij lopen.
5Zij zullen daarhenen springen als een gedruis van wagenen, op de hoogten der bergen; als het gedruis ener vuurvlam, die stoppelen verteert; als een machtig volk, dat in slagorde gesteld is.
6Van deszelfs aangezicht zullen de volken in pijn zijn; alle aangezichten zullen betrekken als een pot.
Over Joël 2: De dag van de Heer

Het hoofdstuk ontvouwt de profetische visie op de Dag des Heren, met nadruk op de urgentie van berouw ter voorbereiding op Gods rechtvaardig oordeel.
Commentaar
Default commentary text