Jozua 16:3

“En het gaat af tegen het westen naar de landpale Jafleti, tot aan de landpale van het benedenste Beth-horon, en tot Gezer; en haar uitgangen zijn aan de zee.”
— Jozua 16:3 (The Statenvertaling Bible)

Context: Jozua 16

1Daarna kwam het lot der kinderen van Jozef uit: van de Jordaan bij Jericho, aan het water van Jericho, oostwaarts, de woestijn opgaande van Jericho, door het gebergte Beth-El;

2En het komt van Beth-El uit naar Luz; en het gaat door tot de landpale des Archiets, tot Ataroth toe;

3En het gaat af tegen het westen naar de landpale Jafleti, tot aan de landpale van het benedenste Beth-horon, en tot Gezer; en haar uitgangen zijn aan de zee.

4Alzo hebben hun erfdeel bekomen de kinderen van Jozef, Manasse en Efraim.

5De landpale nu der kinderen van Efraim, naar hun huisgezinnen, is deze: te weten, de landpale huns erfdeels was oostwaarts Atroth-Addar tot aan het bovenste Beth-Horon.

Over Jozua 16: Gebied van Efraïm

Jozua 16: Gebied van Efraïm

Jozua wijst het land Kanaän door het lot toe aan de stammen van Jozef, Efraïm en West-Manasse.

Commentaar

Jozua 16 is een hoofdstuk dat zich richt op de toewijzing van land aan de stammen van Efraïm en Manasse, de zonen van Jozef. Dit hoofdstuk is belangrijk omdat het de eerste keer markeert dat de twee stammen hun eigen land krijgen, los van de andere stammen van Israël.

Het hoofdstuk begint met de Heer die Jozua opdraagt het land tussen de twee stammen te verdelen. Het land wordt verdeeld volgens het erfdeel van de zonen van Jozef, waarbij Efraïm het noordelijke deel ontvangt en Manasse het zuidelijke deel ontvangt. Vervolgens wordt in detail de grenzen van het land beschreven, met de steden en dorpen van elke stam die worden genoemd.

Personen in Jozua 16