Jozua 16:7

“En komt af van Janoah naar Ataroth en Naharoth, en stoot aan Jericho, en gaat uit aan de Jordaan.”
— Jozua 16:7 (The Statenvertaling Bible)

Context: Jozua 16

5De landpale nu der kinderen van Efraim, naar hun huisgezinnen, is deze: te weten, de landpale huns erfdeels was oostwaarts Atroth-Addar tot aan het bovenste Beth-Horon.

6En deze landpale gaat uit tegen het westen bij Michmetath, van het noorden, en deze landpale keert zich om tegen het oosten naar Thaanath-Silo, en gaat door dezelve van het oosten naar Janoah;

7En komt af van Janoah naar Ataroth en Naharoth, en stoot aan Jericho, en gaat uit aan de Jordaan.

8Van Tappuah gaat deze landpale westwaarts naar de beek Kana, en haar uitgangen zijn aan de zee. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Efraim, naar hun huisgezinnen.

9En de steden, die afgezonderd waren voor de kinderen van Efraim, waren in het midden van het erfdeel der kinderen van Manasse, al die steden en haar dorpen.

Over Jozua 16: Gebied van Efraïm

Jozua 16: Gebied van Efraïm

Jozua wijst het land Kanaän door het lot toe aan de stammen van Jozef, Efraïm en West-Manasse.

Commentaar

Jozua 16 is een hoofdstuk dat zich richt op de toewijzing van land aan de stammen van Efraïm en Manasse, de zonen van Jozef. Dit hoofdstuk is belangrijk omdat het de eerste keer markeert dat de twee stammen hun eigen land krijgen, los van de andere stammen van Israël.

Het hoofdstuk begint met de Heer die Jozua opdraagt het land tussen de twee stammen te verdelen. Het land wordt verdeeld volgens het erfdeel van de zonen van Jozef, waarbij Efraïm het noordelijke deel ontvangt en Manasse het zuidelijke deel ontvangt. Vervolgens wordt in detail de grenzen van het land beschreven, met de steden en dorpen van elke stam die worden genoemd.

Personen in Jozua 16