Jozua 7:8
“Och, HEERE! wat zal ik zeggen, nademaal dat Israel voor het aangezicht zijner vijanden den nek gekeerd heeft?”
Context: Jozua 7
6Toen verscheurde Jozua zijn klederen, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark des HEEREN, tot den avond toe, hij en de oudsten van Israel; en zij wierpen stof op hun hoofd.
7En Jozua zeide: Ach, Heere HEERE! waarom hebt Gij dit volk door de Jordaan ooit doen gaan, om ons te geven in de hand der Amorieten, om ons te verderven? Och, dat wij toch tevreden geweest en gebleven waren aan gene zijde van de Jordaan!
8Och, HEERE! wat zal ik zeggen, nademaal dat Israel voor het aangezicht zijner vijanden den nek gekeerd heeft?
9Als het de Kanaanieten, en alle inwoners des lands horen zullen, zo zullen zij ons omsingelen, en onzen naam uitroeien van de aarde; wat zult Gij dan Uw groten Naam doen?
10Toen zeide de HEERE tot Jozua: Sta op; waarom ligt gij dus neder op uw aangezicht?
Over Jozua 7: Zonde van Achan

Het leger van Jozua wordt verslagen bij Ai vanwege de ongehoorzaamheid van Achan.
Commentaar
Jozua 7 is een hoofdstuk dat spreekt over de gevolgen van zonde en het belang van gehoorzaamheid aan God. In dit hoofdstuk worden de Israëlieten verslagen in de strijd tegen de stad Ai vanwege de zonde van Achan. Achan had wat van de buit van Jericho genomen, wat door God verboden was, en deze zonde veroorzaakte de nederlaag van de Israëlieten. Dit herinnert ons eraan dat zonde gevolgen heeft en dat we gehoorzaam moeten zijn aan Gods geboden.
Het hoofdstuk spreekt ook over het belang van belijdenis en berouw. Nadat Achan's zonde aan het licht komt, belijdt en heeft berouw van zijn zonde. Dit dient als voorbeeld voor ons dat we bereid moeten zijn om onze zonden te belijden en berouw te tonen om Gods vergeving te ontvangen.