Rechters 1:36
“En de landpale der Amorieten was van den opgang van Akrabbim, van den rotssteen, en opwaarts heen.”
Context: Rechters 1
34En de Amorieten drongen de kinderen van Dan in het gebergte; want zij lieten hun niet toe, af te komen in het dal.
35Ook wilden de Amorieten wonen op het gebergte van Heres, te Ajalon, en te Saalbim; maar de hand van het huis van Jozef werd zwaar, zodat zij cijnsbaar werden.
36En de landpale der Amorieten was van den opgang van Akrabbim, van den rotssteen, en opwaarts heen.
Over Rechters 1: Israëls Voortdurende Verovering

De Israëlieten beginnen andere goden te vereren, en als gevolg daarvan laat God toe dat ze onderdrukt worden door hun vijanden.
Commentaar
Richteren 1 is het eerste hoofdstuk van het boek Richteren in de Hebreeuwse Bijbel. Het vertelt het verhaal van de verovering van het land Kanaän door de Israëlieten, dat hun door God beloofd was. Het hoofdstuk begint met de Israëlieten die de Heer om leiding vragen bij hun verovering van het land. De Heer antwoordt door hun te zeggen om op te trekken en het land in bezit te nemen, en de inwoners te verdrijven. Vervolgens gaan de Israëlieten hiermee aan de slag, met hulp van de stammen Juda en Simeon.
Het hoofdstuk gaat vervolgens verder met het beschrijven van de verschillende veldslagen die de Israëlieten voerden om het land in bezit te nemen. In elke slag zijn de Israëlieten zegevierend en slagen zij erin het land in bezit te nemen. Echter, het hoofdstuk merkt ook op dat de Israëlieten er niet in slaagden om alle inwoners van het land te verdrijven. Dit kwam doordat sommige inwoners strijdwagens van ijzer hadden, waardoor ze te sterk waren voor de Israëlieten om te verslaan.