Psalm 1 zet de toon voor de rest van het boek van Psalmen door een contrast te trekken tussen twee paden: de weg van de rechtvaardigen en de weg van de goddelozen. De psalm begint met het beschrijven van de gezegendheid van degenen die dag en nacht mediteren over de wet van God, hen vergelijkend met bomen geplant bij waterstromen die vrucht dragen in het juiste seizoen. Daarentegen worden de goddelozen afgeschilderd als kaf dat door de wind weggeblazen wordt, zonder een stevig fundament en bestemd voor vernietiging.
1Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;
2Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
Psalmen 1:3 - Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
3Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
Psalmen 1:4 - Alzo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft.
4Alzo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft.
5Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.
Psalmen 1:6 - Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.
6Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.