De Majesteit van het Woord van God: Een Toewijding aan de Wet
Psalm 119 is het langste hoofdstuk in de Bijbel en is volledig gewijd aan de verheerlijking van het Woord van God. Het is een acrostichon gedicht, waarbij elk deel van acht verzen begint met een letter van het Hebreeuwse alfabet. De psalmist uit zijn liefde voor Gods geboden, wetten, voorschriften en beloften, en verklaart hun eeuwige aard, evenals hun vermogen om wijsheid, leiding en redding te geven aan degenen die ze volgen.
1Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.
2Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;
3Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.
4HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!
6Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.
7Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
9Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.
10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.