Psalm 129 is een klaagzang van de psalmist die namens heel Israël spreekt en smeekt God om hen te bevrijden uit de handen van hun onderdrukkers. De psalmist vertelt over de vroegere strijd die Israël heeft gevoerd, waaronder fysieke onderdrukking en verbaal misbruik, en drukt vertrouwen uit in Gods gerechtigheid om de rechtvaardigen te verdedigen en de goddelozen te straffen.
1Een lied Hammaaloth. Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israel;
2Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overmocht.
3Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.
4De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen der goddelozen afgehouwen.
5Laat hen beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen, die Sion haten.
6Laat hen worden als gras op de daken, hetwelk verdort, eer men het uittrekt;
7Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;
8En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.