Uittocht 5:8
“En het getal der tichelstenen, die zij gisteren en eergisteren gemaakt hebben, zult gij hun opleggen; gij zult daarvan niet verminderen; want zij gaan ledig; daarom roepen zij, zeggende: Laat ons gaan, laat ons onzen God offeren!”
Context: Uittocht 5
6Daarom beval Farao, ten zelfden dage, aan de aandrijvers onder het volk, en deszelfs ambtlieden, zeggende:
7Gij zult voortaan aan deze lieden geen stro meer geven, tot het maken der tichelstenen, als gisteren en eergisteren; laat hen zelven heengaan, en stro voor zichzelven verzamelen.
8En het getal der tichelstenen, die zij gisteren en eergisteren gemaakt hebben, zult gij hun opleggen; gij zult daarvan niet verminderen; want zij gaan ledig; daarom roepen zij, zeggende: Laat ons gaan, laat ons onzen God offeren!
9Men verzware den dienst over deze mannen, dat zij daaraan te doen hebben, en zich niet vergapen aan leugenachtige woorden.
10Toen gingen de aandrijvers des volks uit, en deszelfs ambtlieden, en spraken tot het volk, zeggende: Zo zegt Farao: Ik zal ulieden geen stro geven.
Over Uittocht 5: Farao weigert de Israëlieten te laten gaan

Samenvatting: De farao verhoogt de werklast van de Israëlieten, maar Mozes en Aäron blijven hem aandringen om hen te laten gaan.
Commentaar
Exodus hoofdstuk 5 is een cruciaal hoofdstuk in het boek Exodus, omdat het het begin markeert van de strijd van de Israëlieten met de farao. Nadat Mozes en Aäron naar de farao zijn gegaan om de vrijlating van de Israëlieten te eisen, reageert de farao door de werklast van de Israëlieten te verhogen en hun verzoek te weigeren. Dit is een belangrijk moment in het verhaal, omdat het de basis legt voor de plagen die zullen volgen.
Het hoofdstuk begint met Mozes en Aäron die terugkeren naar de farao en hun eis voor de vrijlating van de Israëlieten herhalen. De farao reageert door hun verzoek te weigeren en in plaats daarvan de werklast van de Israëlieten te verhogen. Dit is een belangrijk moment in het verhaal, omdat het de onwil van de farao toont om de Israëlieten te laten gaan.