Ezechiël 10:12

“Hun ganse lichaam nu, en hun ruggen, en hun handen, en hun vleugelen, mitsgaders de raderen, waren vol ogen rondom; die vier hadden hun raderen.”
— Ezechiël 10:12 (The Statenvertaling Bible)

Context: Ezechiël 10

10En aangaande hun gedaanten, die vier hadden enerlei gelijkenis, gelijk of het ware geweest een rad in het midden van een rad.

11Als die gingen, zo gingen deze op hun vier zijden; zij keerden zich niet om, als zij gingen; maar de plaats, waarheen het hoofd zag, die volgden zij na; zij keerden zich niet om, als zij gingen.

12Hun ganse lichaam nu, en hun ruggen, en hun handen, en hun vleugelen, mitsgaders de raderen, waren vol ogen rondom; die vier hadden hun raderen.

13Aangaande de raderen, elkeen derzelve werd voor mijn ogen genoemd Galgal.

14En elkeen had vier aangezichten; het eerste aangezicht was het aangezicht eens cherubs, en het tweede aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het derde het aangezicht eens leeuws, en het vierde het aangezicht eens arends.

Over Ezechiël 10: Het Vertrek van Gods Glorie

Ezechiël 10: Het Vertrek van Gods Glorie

In Ezechiël hoofdstuk 10 ziet de profeet een visioen van Gods glorie die de tempel in Jeruzalem verlaat. Deze vertrek wordt vergezeld door de manifestatie van cherubs en de brandende kolen van oordeel. Ondanks hun rol als beschermers van de tempel, kunnen zelfs de cherubs niet voorkomen dat de glorie van God vertrekt van een verdorven en onberouwvolk.

Commentaar

Default commentary text

Personen in Ezechiël 10