Ezechiël 14:13

“Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal hetzelve den staf des broods breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;”
— Ezechiël 14:13 (The Statenvertaling Bible)

Context: Ezechiël 14

11Opdat het huis Israels niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, spreekt de Heere HEERE.

12Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

13Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal hetzelve den staf des broods breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;

14Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniel en Job, in het midden deszelven waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heere HEERE.

15Zo Ik het boos gedierte make door het land door te gaan, hetwelk dat van kinderen berove, zodat het woest worde, dat er niemand doorga, vanwege het gedierte;

Over Ezechiël 14: Valse Profeten Veroordeeld

Ezechiël 14: Valse Profeten Veroordeeld

In Ezechiël hoofdstuk 14 spreekt God tot Ezechiël over de valse profeten die Zijn volk op het verkeerde pad hebben gebracht. Hij waarschuwt dat deze personen verantwoordelijk zullen worden gehouden voor hun daden en dat ze zichzelf noch hun volgelingen kunnen redden van komend oordeel.

Commentaar

Default commentary text

Personen in Ezechiël 14