Ezechiël 24:21

“Zeg tot het huis Israels: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal Mijn heiligdom ontheiligen, de heerlijkheid uwer sterkte, de begeerte uwer ogen, en de verschoning uwer ziel; en uw zonen en uw dochteren, die gij verlaten hebt, zullen door het zwaard vallen.”
— Ezechiël 24:21 (The Statenvertaling Bible)

Context: Ezechiël 24

19En het volk zeide tot mij: Zult gij ons niet te kennen geven, wat ons deze dingen zijn, dat gij aldus doet?

20En ik zeide tot hen: Het woord des HEEREN is tot mij geschied, zeggende:

21Zeg tot het huis Israels: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal Mijn heiligdom ontheiligen, de heerlijkheid uwer sterkte, de begeerte uwer ogen, en de verschoning uwer ziel; en uw zonen en uw dochteren, die gij verlaten hebt, zullen door het zwaard vallen.

22Dan zult gijlieden doen, gelijk als ik gedaan heb; de bovenste lip zult gij niet bewinden, en der lieden brood zult gij niet eten.

23En uw hoeden zullen op uw hoofden zijn, en uw schoenen aan uw voeten; gij zult niet rouwklagen, noch wenen, maar gij zult in uw ongerechtigheden versmachten, en een iegelijk tegen zijn broeder zuchten.

Over Ezechiël 24: De gelijkenis van de kookpot

Ezechiël 24: De gelijkenis van de kookpot

In Ezechiël hoofdstuk 24 gebruikt God een gelijkenis van een kookpot om het naderende onheil van Jeruzalem te illustreren. De kookpot staat voor de stad en haar inwoners, die vervuld zijn van corruptie en slechtheid. God beveelt Ezechiël om de pot te vullen met uitgelezen stukken vlees en te laten koken, als een demonstratie van hoe de stad vernietigd zal worden en de mensen erin zullen lijden. Het hoofdstuk eindigt met God die verklaart dat de zonde en ongehoorzaamheid van het volk niet ongestraft zullen blijven.

Commentaar

Default commentary text

Personen in Ezechiël 24