Ezechiël 33:21
“En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op den vijfden der maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen.”
Context: Ezechiël 33
19En als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, en doet recht en gerechtigheid, zo zal hij daarin leven.
20Nog zegt gij: De weg des Heeren is niet recht; Ik zal ulieden richten, een ieder naar zijn wegen, o huis Israels!
21En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op den vijfden der maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen.
22Nu was de hand des HEEREN op mij geweest des avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom.
23Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Over Ezechiël 33: De Verantwoordelijkheid van de Wachter

In Ezechiël 33 roept God Ezechiël op om een wachter te zijn over zijn volk, verantwoordelijk voor het luiden van het alarm wanneer gevaar nabij is. Het hoofdstuk benadrukt de verantwoordelijkheid van de wachter om het volk te waarschuwen voor aanstaand oordeel en de gevolgen van hun zondige daden.
Commentaar
Default commentary text