Ezechiël 34:18

“Is het u te weinig, dat gij de goede weide afweidt? Zult gij nog het overige uwer weide met uw voeten vertreden? En zult gij de bezonkene wateren drinken, en de overgelatene met uw voeten vermodderen?”
— Ezechiël 34:18 (The Statenvertaling Bible)

Context: Ezechiël 34

16Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal ze weiden met oordeel.

17Want gij, o Mijn schapen! de Heere HEERE zegt alzo: Ziet, Ik zal richten tussen klein vee en klein vee, tussen de rammen en de bokken.

18Is het u te weinig, dat gij de goede weide afweidt? Zult gij nog het overige uwer weide met uw voeten vertreden? En zult gij de bezonkene wateren drinken, en de overgelatene met uw voeten vermodderen?

19Mijn schapen dan, zullen zij afweiden, wat met uw voeten vertreden is, en drinken, wat met uw voeten vermodderd is?

20Daarom zegt de Heere HEERE alzo tot hen: Ziet Ik, ja, Ik zal richten tussen het vette klein vee, en tussen het magere klein vee.

Over Ezechiël 34: De Heer, de Herder van Zijn Kudde

Ezechiël 34: De Heer, de Herder van Zijn Kudde

In Ezechiël hoofdstuk 34 berispt de Heer de herders van Israël voor hun falen om Zijn kudde te verzorgen, wat heeft geleid tot de verstrooiing en het lijden van Zijn volk. Hij belooft zelf te komen en Zijn schapen te verzamelen, hen leidend naar groene weiden en stille wateren, en om te oordelen tussen de vette en magere schapen. Het hoofdstuk eindigt met de Heer die Zijn verbond met Zijn volk bevestigt en belooft om een nieuw verbond van vrede met hen te sluiten.

Commentaar

Default commentary text

Personen in Ezechiël 34