Ezechiël 37:12
“Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israels.”
Context: Ezechiël 37
10En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir.
11Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het ganse huis Israels; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden.
12Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israels.
13En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk!
14En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.
Over Ezechiël 37: Het Visioen van het Dal van Dorre Beenderen

In Ezechiël 37 ontvangt de profeet een visioen van een vallei gevuld met droge botten. God daagt Ezechiël uit om te profeteren tot de botten, en ze komen tot leven, wat de herstel van het volk Israël symboliseert. God belooft om Zijn volk van over de hele wereld bijeen te brengen en hen te doen herleven, hen een nieuwe geest en een nieuw hart te geven.
Commentaar
Default commentary text