Ezechiël 4:2

“En maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar een wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom.”
— Ezechiël 4:2 (The Statenvertaling Bible)

Context: Ezechiël 4

1En gij, mensenkind, neem u een tichelsteen, en leg dien voor uw aangezicht, en bewerp daarop de stad Jeruzalem.

2En maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar een wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom.

3Verder, neem gij u een ijzeren pan, en stel ze tot een ijzeren muur tussen u en tussen die stad; en richt uw aangezicht tegen haar, dat zij in belegering kome, en gij zult ze belegeren. Dit zij den huize Israels een teken.

4Lig gij ook neder op uw linkerzijde, en leg daarop de ongerechtigheid van het huis Israels, naar het getal der dagen, dat gij daarop zult liggen, zult gij hun ongerechtigheid dragen.

Over Ezechiël 4: Ezechiël voert een belegering uit tegen Jeruzalem

Ezechiël 4: Ezechiël voert een belegering uit tegen Jeruzalem

In hoofdstuk 4 geeft God aan Ezechiël het vreemde bevel om een belegering tegen een model van Jeruzalem uit te beelden. God zegt tegen Ezechiël dat hij 390 dagen op zijn zij moet liggen om de straf die over Israël zal komen voor te stellen, en daarna 40 dagen op zijn andere zij moet liggen om de straf over Juda voor te stellen. Tijdens deze periode mag Ezechiël alleen een kleine hoeveelheid brood eten dat over mest is gebakken.

Commentaar

Default commentary text

Personen in Ezechiël 4