Ezechiël 46:17

“Maar wanneer hij van zijn erfenis een geschenk zal geven aan een van zijn knechten, die zal dat hebben tot het vrijjaar toe; dan zal het tot den vorst wederkeren; het is immers zijn erfenis, zijn zonen zullen het hebben.”
— Ezechiël 46:17 (The Statenvertaling Bible)

Context: Ezechiël 46

15Zij zullen dan het lam, en het spijsoffer, en de olie alle morgens bereiden tot een gedurig brandoffer.

16Alzo zegt de Heere HEERE: Wanneer de vorst aan iemand van zijn zonen een geschenk zal geven van zijn erfenis, dat zullen zijn zonen hebben; het zal hun bezitting zijn in erfenis.

17Maar wanneer hij van zijn erfenis een geschenk zal geven aan een van zijn knechten, die zal dat hebben tot het vrijjaar toe; dan zal het tot den vorst wederkeren; het is immers zijn erfenis, zijn zonen zullen het hebben.

18En de vorst zal niets nemen van de erfenis des volks, om hen van hun bezitting te beroven; van zijn bezitting zal hij zijn zonen erf nalaten; opdat niet Mijn volk, een iegelijk uit zijn erfenis, verstrooid worde.

19Daarna bracht hij mij door den ingang, die aan de zijde der poort was, tot de heilige kameren, den priesteren toe behorende, die naar het noorden zagen, en ziet, aldaar was een plaats aan beide zijden, naar het westen.

Over Ezechiël 46: De Aanbidding in de Nieuwe Tempel

Ezechiël 46: De Aanbidding in de Nieuwe Tempel

Ezechiël ontving een visioen van de nieuwe tempel die zou worden gebouwd in Jeruzalem, en in hoofdstuk 46 beschrijft hij de voorschriften voor de aanbidding die daar zou plaatsvinden. Het hoofdstuk geeft details over de poort waar de Prins op verschillende tijden van aanbidding en offers aan de Heer zou binnenkomen en vertrekken, de offers die op verschillende dagen aan God zouden worden gepresenteerd, en de voorziening voor de Prins om een speciale ruimte te hebben voor zijn offer.

Commentaar

Default commentary text