Ezechiël 46:2
“En de vorst zal ingaan door den weg van het voorhuis derzelve poort van buiten, en zal staan aan den post van de poort; en de priesters zullen zijn brandofferen en zijn dankofferen bereiden, en hij zal aanbidden aan den dorpel der poort, en daarna uitgaan; doch de poort zal niet gesloten worden tot op den avond.”
Context: Ezechiël 46
1Alzo zegt de Heere HEERE: De poort van het binnenste voorhof, die naar het oosten ziet; zal de zes werkdagen gesloten zijn; maar op den sabbatdag zal zij geopend worden; ook zal zij geopend worden op den dag van de nieuwe maan.
2En de vorst zal ingaan door den weg van het voorhuis derzelve poort van buiten, en zal staan aan den post van de poort; en de priesters zullen zijn brandofferen en zijn dankofferen bereiden, en hij zal aanbidden aan den dorpel der poort, en daarna uitgaan; doch de poort zal niet gesloten worden tot op den avond.
3Ook zal het volk des lands aanbidden voor de deur derzelve poort, op de sabbatten en op de nieuwe manen, voor het aangezicht des HEEREN.
4Het brandoffer nu, dat de vorst den HEERE zal offeren, zal op den sabbatdag zijn, zes volkomen lammeren, en een volkomen ram.
Over Ezechiël 46: De Aanbidding in de Nieuwe Tempel

Ezechiël ontving een visioen van de nieuwe tempel die zou worden gebouwd in Jeruzalem, en in hoofdstuk 46 beschrijft hij de voorschriften voor de aanbidding die daar zou plaatsvinden. Het hoofdstuk geeft details over de poort waar de Prins op verschillende tijden van aanbidding en offers aan de Heer zou binnenkomen en vertrekken, de offers die op verschillende dagen aan God zouden worden gepresenteerd, en de voorziening voor de Prins om een speciale ruimte te hebben voor zijn offer.
Commentaar
Default commentary text