Ezechiël 6:13
“Dan zult gij weten, dat Ik de HEERE ben, als hun verslagenen in het midden hunner drekgoden rondom hun altaren wezen zullen op alle hoge heuvelen, op alle toppen der bergen, en onder allen groenen boom, en onder alle dichte eiken, de plaats, alwaar zij al hun drekgoden liefelijken reuk maakten.”
Context: Ezechiël 6
11Zo zegt de Heere HEERE: Sla met uw hand, en stamp met uw voet, en zeg: Ach, over alle gruwelen der boosheden van het huis Israels; want zij zullen door het zwaard, door den honger en door de pestilentie vallen.
12Die verre af is, zal door de pest sterven, en die nabij is, zal door het zwaard vallen; maar die overgebleven en belegerd is, zal door honger sterven; alzo zal Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbrengen.
13Dan zult gij weten, dat Ik de HEERE ben, als hun verslagenen in het midden hunner drekgoden rondom hun altaren wezen zullen op alle hoge heuvelen, op alle toppen der bergen, en onder allen groenen boom, en onder alle dichte eiken, de plaats, alwaar zij al hun drekgoden liefelijken reuk maakten.
14Daarom zal Ik Mijn hand over hen uitstrekken, en zal het land woest maken, ja, woester dan de woestijn naar Diblath henen, in al hun woningen; en zij zullen bevinden, dat Ik de HEERE ben.
Over Ezechiël 6: God's Oordeel over de Afgoderij van Israël

In Ezechiël 6 spreekt de Heer door de profeet Ezechiël en verklaart Hij Zijn oordeel over Israël vanwege hun wijdverspreide afgoderij. Hij belooft dat hun steden verwoest zullen worden, hun altaren en afgoden vernietigd zullen worden, en de mensen onder de naties verspreid zullen worden. Toch toont de Heer zelfs in Zijn toorn genade, door een overblijfsel van Zijn trouwe volk te sparen.
Commentaar
Default commentary text