Ezechiël 7:18
“Ook zullen zij zakken aangorden, gruwen zal ze bedekken, en over alle aangezichten zal schaamte wezen, en op al hun hoofden kaalheid.”
Context: Ezechiël 7
16En hun ontkomenden zullen wel ontkomen, maar zij zullen op de bergen zijn, zij allen zullen zijn gelijk duiven der dalen, kermende, een ieder om zijn ongerechtigheid.
17Alle handen zullen slap worden, en alle knieen zullen henenvlieten als water.
18Ook zullen zij zakken aangorden, gruwen zal ze bedekken, en over alle aangezichten zal schaamte wezen, en op al hun hoofden kaalheid.
19Zij zullen hun zilver op de straten werpen, en hun goud zal tot onreinigheid zijn; hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen uithelpen ten dage der verbolgenheid des HEEREN; hun ziel zullen zij niet verzadigen, en hun ingewanden zullen zij niet vullen; want het zal de aanstoot hunner ongerechtigheid zijn.
20En Hij heeft de schoonheid Zijns sieraads ter overtreffelijkheid gezet; maar zij hebben daarin beelden hunner gruwelen en hunner verfoeiselen gemaakt; daarom heb Ik dat hun tot onreinigheid gesteld.
Over Ezechiël 7: De Dag van de Toorn van de Heer

In Ezechiël hoofdstuk 7 levert de profeet een boodschap van de Heer af waarin de nakende vernietiging en het oordeel worden verkondigd die over het volk van Israël zullen komen. Het hoofdstuk beschrijft de volledige verwoesting van Jeruzalem en de omliggende gebieden als gevolg van hun opstand tegen God.
Commentaar
Default commentary text