Ezra 4:6
“En onder het koninkrijk van Ahasveros, in het begin zijns koninkrijks, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.”
Context: Ezra 4
4Evenwel maakte het volk des lands de handen des volks van Juda slap, en verstoorde hen in het bouwen;
5En zij huurden tegen hen raadslieden, om hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzie, tot aan het koninkrijk van Darius, den koning van Perzie.
6En onder het koninkrijk van Ahasveros, in het begin zijns koninkrijks, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.
7En in de dagen van Arthahsasta schreef Bislam, Mithredath, Tabeel, en de overigen van zijn gezelschap, aan Arthahsasta, koning van Perzie; en de schrift des briefs was in het Syrisch geschreven, en in het Syrisch uitgelegd.
8Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, schreven een brief tegen Jeruzalem, aan den koning Arthahsasta, op deze manier:
Over Ezra 4: Verzet tegen de wederopbouw

Tegenstand tegen de wederopbouw van de tempel door de naburige volkeren, inclusief het schrijven van een brief aan koning Artaxerxes.
Commentaar
Ezra 4 is een hoofdstuk dat spreekt over de tegenstand waarmee de Israëlieten te maken kregen toen ze probeerden de tempel in Jeruzalem te herbouwen. Het hoofdstuk begint met een lijst van de vijanden van de Israëlieten die probeerden hen te ontmoedigen en te weerhouden van de herbouw van de tempel. Deze vijanden omvatten het volk van het land, de Samaritanen, en de Ammonieten en Arabieren. De vijanden van de Israëlieten probeerden hun plannen te dwarsbomen door adviseurs in te huren om hen tegen te werken en door brieven te schrijven naar de Perzische koning, Artaxerxes, om het werk te stoppen.
Het hoofdstuk beschrijft vervolgens hoe de vijanden van de Israëlieten succesvol waren in hun inspanningen. Het werk aan de tempel werd stilgelegd voor een periode van zestien jaar. Gedurende deze tijd bleven de vijanden van de Israëlieten hen dwarsbomen en proberen te voorkomen dat ze de tempel herbouwden.