Ezra 6:19

“Ook hielden de kinderen der gevangenis het pascha, op den veertienden der eerste maand.”
— Ezra 6:19 (The Statenvertaling Bible)

Context: Ezra 6

17En zij offerden, ter inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israel, naar het getal der stammen Israels.

18En zij stelden de priesteren in hun onderscheidingen, en de Levieten in hun verdelingen, tot den dienst Gods, Die te Jeruzalem is, naar het voorschrift des boeks van Mozes.

19Ook hielden de kinderen der gevangenis het pascha, op den veertienden der eerste maand.

20Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als een enig man; zij waren allen rein; en zij slachtten het pascha voor alle kinderen der gevangenis, en voor hun broederen, de priesteren, en voor zichzelven.

21Alzo aten de kinderen Israels, die uit de gevangenis wedergekomen waren, mitsgaders al wie zich van de onreinigheid der heidenen des lands tot hen afgezonderd had, om den HEERE, den God Israels, te zoeken.

Over Ezra 6: Inwijding van de Tempel

Ezra 6: Inwijding van de Tempel

De inwijding van de tempel en het vieren van het Loofhuttenfeest.

Commentaar

Ezra 6 is een hoofdstuk dat spreekt over de voltooiing van de herbouw van de tempel in Jeruzalem. Dit is een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van de Israëlieten, omdat het het einde van de Babylonische ballingschap markeert en het begin van een nieuw tijdperk van hoop en voorspoed.

Het hoofdstuk begint met koning Darius die een decreet uitvaardigt dat de tempel herbouwd moet worden en dat het volk van Israël toegestaan moet worden terug te keren naar hun thuisland. Hij beveelt ook dat de tempel gebouwd moet worden volgens de plannen die aan de profeet Ezra gegeven zijn. Dit decreet is een teken van Gods gunst en bescherming, en het herinnert aan Zijn trouw aan Zijn volk.

Personen in Ezra 6