Genesis 35:11
“Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, een hoop der volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.”
Context: Genesis 35
9En God verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-Aram gekomen was; en Hij zegende hem.
10En God zeide tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israel zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israel.
11Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, een hoop der volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.
12En dit land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en aan uw zaad na u zal Ik dit land geven.
13Toen voer God van hem op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had.
Over Genesis 35: Jacobs terugkeer naar Bethel

God zegt tegen Jacob dat hij naar Betlehem moet verhuizen en de vreemde goden moet wegdoen. Jacob hernoemt de plaats tot Betlehem en bouwt een altaar voor God.
Commentaar
Genesis 35 is een cruciaal hoofdstuk in het boek Genesis, omdat het een belangrijke overgang markeert in het leven van Jakob. Na een tumultueuze periode van conflict en bedrog, wordt Jakob eindelijk verzoend met zijn broer Esau en is hij klaar om verder te gaan met zijn leven.
Het hoofdstuk begint met God die aan Jakob verschijnt en hem opdraagt terug te keren naar Bethel, de plaats waar hij zijn eerste ontmoeting met God had. Jakob gehoorzaamt en vertrekt met zijn familie en bezittingen. Onderweg stopt hij op een plaats genaamd Luz en bouwt een altaar voor God. Dit is belangrijk omdat het het begin markeert van een nieuw tijdperk in het leven van Jakob, waarin hij toegewijd is aan God en niet langer in angst leeft voor zijn broer.