Genesis 48:7
“Toen ik nu van Paddan kwam, zo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaan, op den weg, als het nog een kleine streek lands was, om tot Efrath te komen; en ik begroef haar aldaar aan den weg van Efrath, welke is Bethlehem.”
Context: Genesis 48
5Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraim en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.
6Maar uw geslacht, dat gij na hen zult gewinnen, zullen uwe zijn; zij zullen naar hunner broederen naam genoemd worden in hun erfdeel.
7Toen ik nu van Paddan kwam, zo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaan, op den weg, als het nog een kleine streek lands was, om tot Efrath te komen; en ik begroef haar aldaar aan den weg van Efrath, welke is Bethlehem.
8En Israel zag de zonen van Jozef, en zeide: Wiens zijn deze?
9En Jozef zeide tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven heeft. En hij zeide: Breng hen toch tot mij, dat ik hen zegene!
Over Genesis 48: Jakob zegent de zonen van Jozef

Jacob zegent de twee zonen van Jozef, Efraïm en Manasse.
Commentaar
Genesis 48 is een hoofdstuk dat zich richt op de zegen van de zonen van Jacob, Efraïm en Manasse. Het is een voortzetting van het verhaal van het leven van Jacob, dat begon in Genesis 25. In dit hoofdstuk ligt Jacob op zijn sterfbed en zegent hij zijn twee kleinzonen, Efraïm en Manasse, de zonen van Jozef. Jacob is zich ervan bewust dat zijn dood nabij is en hij wil ervoor zorgen dat zijn kleinzonen gezegend worden voordat hij overlijdt.
Jacob begint met het zegenen van Efraïm, de jongste van de twee, en geeft hem een grotere zegen dan Manasse. Dit is een omkering van de traditionele zegen van de eerstgeborene, die aan Manasse zou zijn gegeven. Jacob legt uit dat dit komt doordat Efraïm een groot volk zal worden, terwijl Manasse een enkele stam zal worden. Jacob zegent vervolgens beide kleinzonen en geeft hen een deel van het land dat hem is beloofd.