Numeri 20:14
“Daarna zond Mozes boden uit Kades tot den koning van Edom, welke zeiden: Alzo zegt uw broeder Israel: Gij weet al de moeite, die ons ontmoet is;”
Context: Numeri 20
12Derhalve zeide de HEERE tot Mozes en tot Aaron: Omdat gijlieden Mij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligdet voor de ogen der kinderen van Israel, daarom zult gijlieden deze gemeente niet inbrengen in het land, hetwelk Ik hun gegeven heb.
13Dit zijn de wateren van Meriba, daar de kinderen Israels met den HEERE om getwist hebben; en Hij werd aan hen geheiligd.
14Daarna zond Mozes boden uit Kades tot den koning van Edom, welke zeiden: Alzo zegt uw broeder Israel: Gij weet al de moeite, die ons ontmoet is;
15Dat onze vaders naar Egypte afgetogen zijn, en wij in Egypte vele dagen gewoond hebben; en dat de Egyptenaars aan ons en onze vaderen kwaad gedaan hebben.
16Toen riepen wij tot den HEERE, en Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte; en ziet, wij zijn te Kades, en stad aan het uiterste uwer landpale.
Over Numeri 20: Water uit de Rots

De Israëlieten worden gestraft omdat ze niet geloven in God. Als gevolg daarvan mag Mozes het beloofde land niet binnengaan.
Commentaar
In Numeri hoofdstuk 20 zijn de Israëlieten in de woestijn van Zin en hebben ze water nodig. Mozes krijgt instructies van God om zijn staf te nemen en tot een rots te spreken om water tevoorschijn te brengen. Echter, in plaats van tot de rots te spreken, slaat Mozes deze tweemaal met zijn staf. Dit maakt God boos en Hij vertelt Mozes en Aäron dat ze vanwege hun ongehoorzaamheid niet het Beloofde Land mogen binnengaan.
Dit hoofdstuk herinnert ons eraan dat God heilig en rechtvaardig is en dat Hij verwacht dat we Hem gehoorzamen. We moeten voorzichtig zijn om Zijn instructies te volgen en geen eigen beslissingen te nemen. We moeten ook onthouden dat ongehoorzaamheid gevolgen heeft, en dat God onze zonden niet over het hoofd zal zien. Dit hoofdstuk herinnert ons er ook aan dat God genadig en vergevingsgezind is, en dat Hij ons zal vergeven als we berouw tonen en ons afkeren van onze zonden.