Het Hooglied van Salomo 1:7

“Zeg mij aan, Gij, Dien mijn ziel liefheeft, waar Gij weidt, waar Gij de kudde legert in den middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden Uwer metgezellen?”
— Het Hooglied van Salomo 1:7 (The Statenvertaling Bible)

Context: Het Hooglied van Salomo 1

5Ik ben zwart, doch liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo.

6Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijner moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin der wijngaarden. Mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed.

7Zeg mij aan, Gij, Dien mijn ziel liefheeft, waar Gij weidt, waar Gij de kudde legert in den middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden Uwer metgezellen?

8Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen der schapen, en weid uw geiten bij de woningen der herderen.

9Mijn vriendin! Ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Farao.

Over Het Hooglied van Salomo 1: De schoonheid van de bruid

Het Hooglied van Salomo 1: De schoonheid van de bruid

De bruidegom bewondert de schoonheid van zijn bruid en uits zijn liefde voor haar.

Commentaar

In het eerste hoofdstuk van het Hooglied worden ons de belangrijkste personages van het boek voorgesteld, Salomo en zijn geliefde. Het hoofdstuk opent met een beschrijving van de schoonheid van de geliefde, die wordt vergeleken met die van de dochters van Jeruzalem. Deze vergelijking dient om de schoonheid van de geliefde te benadrukken en haar te onderscheiden van de andere vrouwen.

De geliefde spreekt vervolgens over haar liefde voor Salomo en haar verlangen om bij hem te zijn. Ze uit haar verlangen naar hem en haar wens om dicht bij hem te zijn. Ze spreekt ook over haar bewondering voor zijn fysieke schoonheid en haar wens om met hem te zijn in de nacht.

Personen in Het Hooglied van Salomo 1