Uittocht 29:18
“Alzo zult gij den gehelen ram aansteken op het altaar; het is een brandoffer den HEERE, tot een liefelijken reuk, het is een vuuroffer den HEERE.”
Context: Uittocht 29
16En gij zult den ram slachten, en gij zult zijn bloed nemen, en rondom op het altaar sprengen.
17En den ram zult gij in zijn delen delen; en gij zult zijn ingewand en zijn schenkelen wassen, en op zijn delen, en op zijn hoofd leggen.
18Alzo zult gij den gehelen ram aansteken op het altaar; het is een brandoffer den HEERE, tot een liefelijken reuk, het is een vuuroffer den HEERE.
19Daarna zult gij den anderen ram nemen, en Aaron en zijn zonen zullen hun handen op des rams hoofd leggen;
20En gij zult den ram slachten, en van zijn bloed nemen, en doen het op het rechter oorlapje van Aaron, en op het rechteroorlapje van zijn zonen, desgelijks op den duim hunner rechterhand, en op den groten teen huns rechtervoets; en dat bloed zult gij op het altaar sprengen, rondom heen.
Over Uittocht 29: De inwijding van de priesters

Instructies voor de inwijding van de priesters en het altaar.
Commentaar
Exodus hoofdstuk 29 is een cruciaal hoofdstuk in het boek Exodus, omdat het de instructies schetst voor de wijding van Aäron en zijn zonen als priesters. Dit hoofdstuk is belangrijk omdat het het begin markeert van de relatie van de Israëlieten met God als een verbondsvolk.
Het hoofdstuk begint met God die Mozes instrueert om Aäron en zijn zonen naar de ingang van de ontmoetingstent te brengen. Hier moeten Aäron en zijn zonen met water worden gewassen en worden gekleed in priesterlijke gewaden. Dit is symbolisch voor hun apart gezet worden voor de dienst van God.