Uittocht 32:5
“Als Aaron dat zag, zo bouwde hij een altaar voor hetzelve; en Aaron riep uit, en zeide: Morgen zal den HEERE een feest zijn!”
Context: Uittocht 32
3Toen rukte het ganse volk de gouden oorsierselen af, die in hun oren waren; en zij brachten ze tot Aaron.
4En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp het met een griffie, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israel! die u uit Egypteland opgevoerd hebben.
5Als Aaron dat zag, zo bouwde hij een altaar voor hetzelve; en Aaron riep uit, en zeide: Morgen zal den HEERE een feest zijn!
6En zij stonden des anderen daags vroeg op, en offerden brandoffer, en brachten dankoffer daartoe; en het volk zat neder om te eten en te drinken; daarna stonden zij op, om te spelen.
7Toen sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, klim af! want uw volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven.
Over Uittocht 32: Het Gouden Kalf

De Israëlieten maken een gouden kalf terwijl Mozes op de berg de geboden ontvangt. Mozes breekt de tafelen en vraagt God om de Israëlieten te vergeven.
Commentaar
Exodus 32 is een cruciaal hoofdstuk in het boek Exodus, omdat het een belangrijk keerpunt markeert in de relatie tussen God en de Israëlieten. Nadat de Israëlieten bevrijd waren van de slavernij in Egypte, hadden ze de Tien Geboden van God ontvangen en waren ze nu onderweg naar het Beloofde Land. Echter, terwijl Mozes de Tien Geboden ontving op de berg Sinaï, werden de Israëlieten ongeduldig en maakten ze een gouden kalf om te aanbidden.
Als reactie hierop was God boos en wilde Hij de Israëlieten vernietigen, maar Mozes kwam tussenbeide ten behoeve van hen. Hij herinnerde God aan Zijn belofte aan Abraham, Isaäk en Jakob, en vroeg Hem om de Israëlieten te vergeven. God ging hierop in, maar strafte de Israëlieten nog steeds voor hun afgoderij. Hij zond een plaag onder hen en gebood vervolgens Mozes om de Israëlieten weg te leiden van de berg Sinaï.