Ezechiël 16:49
“Ziet, dit was de ongerechtigheid uwer zuster Sodom; hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en haar dochteren; maar zij sterkte de hand des armen en nooddruftigen niet.”
Context: Ezechiël 16
47Doch gij hebt in haar wegen niet gewandeld, noch naar haar gruwelen gedaan; het was wat gerings, een verdriet; maar gij hebt het meer verdorven dan zij, in al uw wegen.
48Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, indien Sodom, uw zuster, zij met haar dochteren, gedaan heeft, gelijk gij gedaan hebt en uw dochteren!
49Ziet, dit was de ongerechtigheid uwer zuster Sodom; hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en haar dochteren; maar zij sterkte de hand des armen en nooddruftigen niet.
50En zij verhieven zich, en deden gruwelijkheid voor Mijn aangezicht; daarom deed Ik ze weg, nadat Ik het gezien had.
51Samaria ook heeft naar de helft uwer zonden niet gezondigd; en gij hebt uw gruwelen meer dan zij vermenigvuldigd, en hebt uw zusters gerechtvaardigd door al uw gruwelen, die gij gedaan hebt.
Over Ezechiël 16: De Ontrouwe Jeruzalem

In Ezechiël 16 spreekt de Heer tot de profeet Ezechiël over de geschiedenis van Jeruzalem en haar voortdurende ontrouw ten opzichte van God. Met behulp van een metafoor van een pasgeboren meisje dat wordt gered en opgevoed door een liefhebbende echtgenoot, vertelt God hoe Jeruzalem werd gered, verzorgd en gezegend maar toch van God afkeerde en andere goden aanbad. Het hoofdstuk eindigt met een waarschuwing dat Jeruzalem veroordeeld zal worden voor haar zonden.
Commentaar
Default commentary text