Ezechiël 16:54
“Opdat gij uw schande draagt, en te schande gemaakt wordt, om al hetgeen gij gedaan hebt, als gij haar troosten zult.”
Context: Ezechiël 16
52Draag gij dan ook uw schande, gij, die voor uw zusteren geoordeeld hebt door uw zonden, die gij gruwelijker gemaakt hebt dan zij; zij zijn rechtvaardiger dan gij; wees gij dan ook beschaamd, en draag uw schande, omdat gij uw zusters gerechtvaardigd hebt.
53Als Ik haar gevangenen wederbrengen zal, namelijk de gevangenen van Sodom en haar dochteren, en de gevangenen van Samaria en haar dochteren, dan zal Ik wederbrengen de gevangenen uwer gevangenis in het midden van haar.
54Opdat gij uw schande draagt, en te schande gemaakt wordt, om al hetgeen gij gedaan hebt, als gij haar troosten zult.
55Als uw zusters, Sodom en haar dochteren, zullen wederkeren tot haar vorigen staat, mitsgaders Samaria en haar dochteren zullen wederkeren tot haar vorigen staat, zult gij ook en uw dochteren wederkeren tot uw vorigen staat.
56Ja, uw zuster Sodom is in uw mond niet gehoord geweest, ten dage uws groten hoogmoeds,
Over Ezechiël 16: De Ontrouwe Jeruzalem

In Ezechiël 16 spreekt de Heer tot de profeet Ezechiël over de geschiedenis van Jeruzalem en haar voortdurende ontrouw ten opzichte van God. Met behulp van een metafoor van een pasgeboren meisje dat wordt gered en opgevoed door een liefhebbende echtgenoot, vertelt God hoe Jeruzalem werd gered, verzorgd en gezegend maar toch van God afkeerde en andere goden aanbad. Het hoofdstuk eindigt met een waarschuwing dat Jeruzalem veroordeeld zal worden voor haar zonden.
Commentaar
Default commentary text